Hier

Hier heb ik gewerkt. 

Hier heb ik borden afgewassen en slagroom gespoten. 

Hier heb ik bestellingen opgenomen en opgediend. 

Hier heb ik ‘dank u’ gezegd tegen de mensen die dat niet deden toen ik de dampende borden voor hen plaatste.

Hier heb ik gelachen. Keihard. 

Hier heb ik gehuild. Tussen de zakken bloem en suiker, waar niemand mijn gezicht zag terwijl iedereen het wel wist.

Hier heb ik een wolf verstopt in het waskot omdat ik nergens anders met hem naartoe kon. 

Hier gaf ik stiekem bier door het raam van de keuken aan een man die deed alsof hij de plee gebruikte terwijl zijn vrouw nietsvermoedend van haar koffie slurpte.

Hier heb ik ruzie gemaakt. Zo hard dat iedereen er stil van werd.

Hier heb ik liefgehad. Want zonder liefhebben kun je geen ruzie maken.

Hier heb ik klanten genegeerd die met hun vingers naar me knipten. 

Hier heb ik brave oudjes een extra chocolaatje gegeven.

Hier stond ik de vloer te poetsen toen mijn huidige man binnen wandelde met zijn hond. 

Hij viel voor mijn benen. Ik voor zijn hond.

Hier heb ik pannenkoeken gegeten die een beschermend laagje legden over mijn ribben.

Pannenkoeken, elke dag pannenkoeken. Tot ik flauwtes kreeg en zoute chips moest eten van de dokter. 

Hier stond ik aan de vaatwasser toen de radio me belde over mijn romandebuut. Ik wist niet waar kruipen om de stilte op te zoeken, dus bleef ik maar staan. Plechtig aan die stomende machine. 

Hier zei mijn moeder dat ze van me hield. Ze schreef het op een briefje. 

Hier ben ik thuisgekomen.

Hier heb ik geleefd.

Hier heb ik kleren gedragen waarvan de pannenkoekengeur er nooit is uitgegaan. 

Hier ging ik weg. Naar een andere job tussen andere dieren. Een job die mooier klonk en meer betaalde. Ik hield wel van die job, maar ik heb nergens zo hard gelachen als hier. 

Hier. Ik was nog te jong om daar de waarde van te beseffen. Van hier. 

Gelukkig is ‘hier’ iets wat we nooit kunnen missen. 

Altijd zijn we hier.

Amy en Maya

Twee meisjes lopen uit de schoolpoort, recht naar hun moeder.

‘Kom meisjes, haast jullie!’ 

Eén van hen vraagt iets. ‘Geen tijd,’ antwoordt mama. ‘Het is al kwart na vier en we moeten nog naar de dansles.’ 

De kinderen hollen mee het voetpad op. 

‘Komaan, Amy!’

Amy blijft staan. Ze kijkt naar Maya, de hond die met mij aan komt gewandeld.

‘Amy! Het is tijd, meisje!’ 

Maar Amy blijft staan. 

Maya snuffelt in het gras en Amy’s mondje valt open. Haar benen jeuken om dichter te komen. Ik kan het bijna zien. 

‘Amy!’ 

Het meisje knippert met haar ogen en draait zich om. Ze rent om haar moeder en zusje in te halen. 

Wat zou er met Amy gebeurd zijn, loop ik te mijmeren, als ze even langer naar Maya had gekeken? Zo lang als ze zelf wou. Stel je voor. Een minuutje misschien. Misschien twintig. 

Ik vraag me vaak af hoe de wereld eruit zou zien als we kinderen ruimte zouden geven om hun eigen interesses te cultiveren. Niet de hobby’s of onderwerpen die grote mensen hen opleggen, maar de nieuwsgierigheden die spontaan in hen opkomen. Zoals Amy, die eigenlijk liever wat langer naar Maya had gekeken. 

Misschien wordt Amy later wel balletdanseres. Misschien danst ze in haar keuken tot ze oud is. Misschien vergeet ze dat ze ooit geïntrigeerd was door een hond. Of misschien verlaat ze haar dansacademie op haar twintigste om een hondenhotel te openen. Wie zal het zeggen.

Ik heb geen kinderen. Bewust kies ik ervoor om mijn dagen te delen met honden en andere dieren. En zo stelde ik me enkele jaren geleden dezelfde vraag over honden. Hoe zou de hondenwereld eruit zien als we honden de ruimte zouden geven om hun eigen interesses te ontdekken? Niet de sporten, trainingen en focus die mensen hen opleggen, maar de nieuwsgierigheden die spontaan in hen opkomen. Sinds toen probeer ik mezelf erop te betrappen wanneer ik hen een bepaalde richting uit wil sturen. Een richting die in mij is geconditioneerd door de manier waarop onze samenleving met honden omgaat. Dat vergt vooral zelfbeheersing. Het is een oefening om hen te laten zijn, zonder hen te willen kneden. Zonder hen te willen controleren. In ruil voor mijn inzet leren de honden mij bewuster omgaan met het Nu. 

De honden snuffelen vooral. Aan de grond, aan de grasjes, aan de bomen, aan de lucht, aan diersporen, aan stront, aan het heden, het verleden en de toekomst. Ze lezen de wind en strekken zich uit in de zon. Ze graven putten waar ik daarna in struikel. Dan komen ze diep hijgend aan mijn kin likken. Ze rollen met een balletje en knagen aan een stok. Ze wrijven hun wangen in vieze geurtjes. Ze doen elkaar pootje lap en blaffen naar de kat van de buren. Ze slenteren, turen, klimmen en avonturieren. Ze eten smakelijk en kwijlen op mijn broek wanneer ik snack in de sofa. Ze zijn lekker hond. 

Ik vraag me af hoeveel honden lekker hond kunnen zijn. 

Hoeveel Maya’s lekker Maya kunnen zijn. 

En ik vraag me af of Amy lekker Amy kan zijn, voordat ze vergeet dat ze ooit Amy was. 

Allemaal Jannekes

Ik vond je niet meer. 

We gingen op vakantie en ik bracht je naar een centrum vol andere geiten. Na onze terugkeer wilde ik je ophalen, maar ik vond je niet meer. Omdat ik had geweigerd je oormerken te laten schieten, had iemand anders het daar gedaan. Daardoor was je in een verkeerde groep terechtgekomen. 

‘Dat is ‘m niet’, zei ik over het lam dat in mijn armen werd gelegd. 

Iemand droeg het lam weer weg. 

‘Weten jullie wel wie ik bedoel?’

Voor een rij melkgeiten bleven we staan. Hun hoorns waren afgebrand. Hun ogen stonden dof. Ik vond jouw heldere eigenzinnigheid er niet in terug. 

Was jij dat, hier ergens? Geen van hen droeg het moedervlekje op hun lip. 

Ik riep je naam. Keihard.

Niemand antwoordde. 

‘Misschien werd hij nog niet getransporteerd’, zei iemand. We holden naar een loods waar vetgemeste bokken klaar werden gemaakt voor vervoer. Ze lagen op hun zij, hun poten vastgebonden. Goederen. 

Ik liep dezelfde rijen voorbij. 

Je was hen allemaal.

Het gebons van mijn hart wekte me. Ik strompelde naar het raam en tuurde door de schemer. De witte vlek van je gezicht scheen door de donkere deuropening van je stal. 

Ik haastte me naar beneden en rende half bloot door de tuin. Foert. 

Je mekkerde zodra je me zag, met je hese ochtendstemmetje. 

Ik zei je naam en hield je vast. Drukte een zoen op de weerborsteltjes boven je ogen. 

Je knipperde met je lange wimpers en legde je wang warm tegen me. 

Gelukkig. 

Gelukkig bestaan zulke plekken niet echt, hier.

Niet in ons wereldje. 

Niet hier.

Gelukkig maar. 

Soorten contact

Ik rits m’n trui dicht en stap buiten.

Janneke mekkert, hoogtonig op het ritme van een vraagstelling. ‘Mèhèhèhèhè?’

De koffie is heet. Ik blaas erover en zwaai naar Janneke.

Door het raampje van haar stal loert Mieke met haar sprookjesogen.

Vanmorgen probeerde ik het. Nog voor de koffie.

Menselijk contact.

Het mondde niet echt uit tot een dialoog. Er werd vooral getypt zonder echt te lezen. Blindemansgetyp. Misschien ligt het aan de communicatiekanalen van deze tijd. Telefoons, mails, chats, berichten, audioberichten, whatsappen. Bij videocalls trek ik de grens. Meetings, meningen, opinies, reacties, emoticons. Wat is dat voor contact?

Mijo sloft met me mee naar de hooibalen. Hij leest de wind terwijl ik de zak vul. Traag opent en sluit hij zijn ogen. Alles is veilig.

Terwijl Janneke het kippendeurtje helpt te openen, graaft Dingo een put in de tuin. Aarde spat op mijn been.

‘Ik kom’, zeg ik tegen hem.

Hij spitst zijn oren en lacht.

Misschien had ik eerst koffie moeten drinken. Zou dat iets hebben veranderd aan de dynamiek van het communicatiekanaal?

Ik glimlach bij mezelf terwijl Jef en Roos de dag in wapperen. Ik heb me weer laten foppen. Door mijn eigen soort. Uit mijn wereldje gelokt door de belofte van een shot endorfines. Vol suiker zonder veel voedingswaarde. Nog. Meer. Nu. Sneller. Porren. Reacties uitlokken. Doen. Typen. Doen. Reageren. Veeldenkenweinigvoelenroepen!

Ineke toch.

Dingo zeurt. Ik werp de kippenkakjes in de emmer, stop het hooi in de ruif en krab Mieke waar ze jeuk heeft. Dan volgt Mijo me naar de tuin waar we ons installeren voor de Dingoshow.

Een kraai landt op het klimrek. Hij roept en een andere antwoordt. Daar, helemaal bovenop de dennenboom.

Maya komt eraan gesnuffeld. Ze legt haar buik op het koele gras en hijgt naar ons. Dan pas zie ik het gezichtje van Milou tussen de lavendelstruiken. Haar dwingende blik vangt de mijne.

Fuck die zogenaamde communicatiekanalen van mijn eigen soort.

Ik slurp van mijn koffie en blijf nog wat zitten. Mijn rug wordt warm, en ik weet dat Janneke achter me staat.

Onhandig is de dood

Zo onhandig is de dood. Terwijl mijn vader als bloemsuiker werd verstrooid, stak er een wind op waardoor hij in onze kleren vloog. Op datzelfde moment begon er een nabije ezel te balken. Oorverdovend en ongepast.

Niemand durfde te lachen.

Op de dierenartsenpraktijk liet een dode hond zulk een kletterende wind dat ik geschrokken naar zijn hartslag zocht. Hij bleek wel degelijk dood.

Nadat het levenloze lichaam van mijn hond een nacht in de woonkamer had gelegen, hing er een dikke lijkgeur over de hele benedenverdieping. Vanuit mijn bed had ik me voorgenomen om hem nog eens stevig vast te houden alvorens hem weg te brengen. Een laatste zoen op zijn gladde wangetje. Maar toen ik in mijn kamerjas voor hem stond, boog ik alleen over hem om het raam te openen.

Hier lag een hoop gistend vlees, samengehouden door vliezen en vel.

Toen afgelopen weekend mijn geit stierf, legde ik de plooien van haar gezicht netjes. Alsof ze sliep. De dag erna lag haar kaak scheef waardoor haar tanden onelegant bloot lagen. Uit haar mond wasemde de geur van rot. Ik liet de honden haar lichaam besnuffelen. Eén van hen begon prompt aan haar poot te knagen.

De dood is nooit wat we ons erbij voorstellen. Met plechtige rituelen trachten we zijn ernst te benadrukken. Maar er is niets gracieus aan de dood. Er is alleen een lompe overgang die we met onze tienduizenden jaren van evoluerende intelligentie nog steeds niet kunnen bevatten. Hoe kunnen we een leven lang waardigheid en betekenis nastreven, om uiteindelijk te verzinken in iets lelijks als de dood? Daar waar we allemaal tot gelijke materie en niets dan materie worden herleid. Vormt ons resentiment daar tegenover de oorsprong van religie?

Wanneer ik dood ben, hoop ik dat mijn lijf een krachtige wind lost. Liefst tijdens een ernstige, plechtige ceremonie. Een laatste middelvinger vanuit mijn kist. En ik hoop dat de levenden dan durven te lachen.

About The Girl That Turned Into A Cat

About The Girl That Turned Into A Cat

 il_570xN.586803153_7e75.jpg

There once was a girl who could turn into a cat. She had no control over this, as it happened every night. Around dusk, her black hair grew rapid over her entire body, until it became a shiny coat of fur. Her eyes, green as morning grass, reflected yellow into the light of her candle. Her teeth grew long and sharp, and her ears perked like fuzzy triangles over her cat like face. One could say she was a rather pretty cat, with a long tail and surprisingly pink pads underneath her black paws.

Once dusk faded into night, the cat-girl leaped into darkness, on the hunt for mice and rats. She ventured wide from her own yard and into that of others, but only after midnight, when she knew other cats would have dispersed in expectance of her, just as she avoided these areas at other times of night, when other cats would be about. They had come to this understanding to avoid territorial disputes, and because of it, she hardly ever saw any other cats while she took the form of one.

The girl was quite happy during the day, when she napped and played with her dolls, and at night, when she dissected mice with her curved claws and taste for blood. But, as is the case with young girls sooner or later, there came a time where her dolls collected dust, and her mind wandered to the red headed boy she saw twice a week: on Thursdays, at the market, where he caught her eye once through the crowd, and on Sundays at church, where his sleeve once brushed hers on her way to communion.

She lived at a time where it was unusual for girls to approach boys of any kind, and if the boy should have any interest in her, he would have to wait until the yearly Youngster Fest, where it was the custom for boys and girls who reached maturity, to invite one another to dance, and thus, at last, get a chance at a conversation with those of the other sex. There was nothing for the girl to do, but look forward to her Thursdays and Sundays, and to savor the precious moments where she could lay eyes on the ginger lad.

As the years passed, her fondness of him grew, and she longed for the year where she could partake in the Youngster Fest. But as her legs grew tall, her sense of reality grew, and it nestled the idea in her that even if he should invite her to dance, she would never be able to stay after dusk, nor would she ever be able to become his beloved in marriage.

This realization filled her with such sadness, that she became rather sloppy in her matters of transformation. Where she used to be careful as to where she would change, she now wandered through the house and her own yard, while her hair grew and her knuckles cracked. At dawn, she sometimes transformed right outside people’s windows.

One morning, she had just caught a fat rat, and was still devouring it when she felt her mouth grow large and her teeth turn flat. Yet, she tugged at the rat’s flesh and finished him off when she had already turned into the young lady she had become.

‘t Was then that the most peculiar thing happened. She felt nothing throughout the day, but at dusk, her hair grew lighter than usual. She could almost feel the wind rush through her coat that night. Her chase went slower than usual, and she only caught six mice that night, instead of twelve. As the cat-girl sat by the stream, waiting for dawn, she toyed with the idea that maybe, it had something to do with her eating that rat as a girl, instead of a cat. So she carefully hunted for a rat that had just returned from a swim. She bit the rat’s throat, but made sure it didn’t loose too much blood, by keeping her paw firmly over the wound. Then she sat back and waited for the first signs of daylight. She sat patiently until she had taken form of her lady like self, and only then did she eat the rat.

That night, her transformation happened even slower than the night before. Her fur now showed bald patches, and her teeth remained solemnly blunt.

This discovery lightened the girl’s spirits, as she knew that if she ate enough rats, her transformations would cease all together, and she would be able to enjoy the Fest, and hopefully become the ginger lad’s girl one day. Lively with new motivation, the girl stepped into the field during the bright of day, and hunted rats with almost the speed of a cat. She dug them out of their holes, chased them down and fished them out of the water. She bit their throats and sucked them dead, but always made sure to return to the village with an apron filled with blackberries, to explain the purple dried stains on her lips.

The evening came at last, when the girl waited for her transformation, which did not come. In her excitement, she ran out, two legged, into the night. She ran through the yards she knew so well, at a time when the other cats were out. She climbed walls and broke through gates, until she arrived at the ginger lad’s yard. There, she knocked on the back door, but no one stirred. She threw pebbles at the windows, but no candle was lit. Eventually, disappointed and suddenly shamefully aware of her display, she turned around to leave through the yard she had come from. There, on the wall that separated the yard from the fields beyond, sat a ginger cat. He stared at her, in the awkward, demeaning way only cats master, and let her stare back at him. They remained like this for a full minute at least, until the girl had grasped the truth that had enfolded before her. Then, the ginger cat turned his back, jumped off the wall, and disappeared into the night.

The girl that could turn into a cat, but had turned into the rather dull form of a lady instead, never recovered from the harm she had unknowingly caused herself. Her loneliness grew larger than her love for the ginger lad ever was, and because of it, her bitterness aged her once sparkling eyes. She developed a jealousy toward all black cats she came across, and approached them with vile hatred.

The girl that could once turn into a cat, but had turned into the rather dull form of a woman instead, cursed all black cats she came across. She ill-wished them, and spread untruths about them. The rumors about these black, unfortunate creatures traveled from this village to the next, soon they were hunted all over the land, and with them, the girls they were at heart.

The woman who once was a pretty girl that could turn into a cat, transformed nevermore, and spent her days bitter, dull and alone. She never ate another rat, yet devoured since then, many a cat.

Louise

Op 29 mei 2015 werd ik meter van een meisje dat Louise heet. Haar nageltjes zijn als papier.

Ze werd geboren in Leuven. Haar lipjes zijn rood, en haar haren zwart. Als houtskool. Ze ruikt naar pasgeboren, en als ik haar vasthoud, slaapt ze. Ze is mijn Louise niet, maar ze maakt het me zo gemakkelijk om voor even te doen alsof.

Er raakt je niets, denk ik dan. Dit keer, raakt er je helemaal niets.

Ineke signeert op Wereldadoptiedag

7 juni 2015 is Wereldadoptiedag. Die zondag verenigen allerlei dierenorganisaties zich in Antwerp Expo. Aspirant adoptanten kunnen er shoppen tussen verschillende rescue centers, en andere dierenliefhebbers steunen de organisaties door aankoop van grappige en gezellige gadgets. Vorig jaar liep ik Pin Up Pup An Lemmens tegen het knappe lijf, en zag ik een opvoering van kunstige fretten. Dit jaar sta ik er ook, voor alle Loners.

Je vindt me op de stand van Kattenhotel Chatoo, met een stapel exemplaren van De Lichtekooi Van Loven. Ik signeer met plezier, en schenk een deel van de opbrengst aan dieren zonder thuis.

Wanneer? zondag 7 juni 2015, tussen 10u en 18u

Waar? Antwerp Expo, stand Kattenhotel Chatoo

Zoek naar de wolfhond.

Aged 19

We hebben de data van buiten geleerd. Ze hingen als tijdsslingers op in de klas. Eén naam bleef hangen, omdat hij later terugkeerde in films en slechte moppen. We hebben onze grootouders erover geïnterviewd. Dat moest van de meester. Bij mij bleef alleen een grootmoeder over, die vertelde dat ze in de sloot sprong als ze een vliegtuig hoorde. En dat mijn grootvader indertijd sigaretten rookte met de Engelsen.

Niet zolang geleden trainde ik een hond van een oud vrouwtje dat al negentig jaar in de Schapenstraat woonde in Leuven. Zij herinnerde zich de bombardementen als trillend lawaai terwijl ze met haar baby op bed lag. En wachtte tot het over was. Als ik dees overleef, bad ze toen tot Mariake, neem ik nog een kinneke. Ze kreeg er nog verschillende, en is nog steeds gelovig.

Wij, kinderen van de jaren 1980, waren het eigenlijk al bijna vergeten. Of tenminste, we dachten er nog maar sporadisch aan. Tot de hele heisa rond de honderdjarige herdenking ons door elkaar schudde. In het nieuws vertelden ze over de aanval met chloorgas, en de lijken die ze terugvonden van mensen die hun keel hadden opengekrabd om aan lucht te kunnen. Welnu, vandaag vond ik het welletjes geweest. Je kan geen Belgische zijn, musea in Australië hebben bezocht, maar niet eens over de graven van de westhoek hebben gelopen.

Het was mooi wandelen, zo tussen de eeuwige winden en de verroeste munitie. In een Duitse bunker sliepen vleermuizen, en een Nieuw-Zeelandse bunker was te klein om in te kruipen. Op de graven stonden soms namen, maar geen geboortedata. Aged 19. A soldier, whose grave is known only to God, stond er bij een naam op de muur. Misschien is hij in zee blijven liggen. Of misschien liggen zijn botten verspreid onder de grond waar onze aardappelen groeien. Op een joods graf liggen stenen, omdat joden liever eren met dingen die niet verwelken.

Een stem verhaalde dat toen de Duitsers het gas vrijlieten, alle dieren uit hun holen kwamen om te sterven. Konijnen, mollen, muizen, ratten. Ze lagen allemaal dood. Paarden met hun zadel nog aan. Koeien die er niets mee te maken hadden. En duizenden Fransen. Dood. De vrouw die naast me stond, had een glimlach op haar gezicht. Ik wilde haar slaan, dus liep ik door. Naar de massagraven van de Duitsers die niet beter hadden geweten.

Ik vraag me af, hoeveel vrouwen hebben gehuild nadat ze de wapens in fabrieken hadden gemaakt. Arme mollen.

Madame Inconnu

De nacht duurde een uur, en vandaag zie ik niemand. Op de tafel drinken vergeetmenietjes uit een champagneglas. De honden slapen. Ruth Etting zingt over haar gebroken hart, de piano kraakt. Op de tafel staat een portret uit de zolder. Een vrouw zit tussen zwart-witte rozen in de mode van de jaren 1920. Ze loert met donkere ogen van onder de rand van haar hoed, en weet dat de fotograaf naar haar enkels kijkt. Haar schoenen zouden licht roze kunnen geweest zijn, de rest van haar kledij is zwart. Ze is mijn overgrootmoeder, en iedereen die haar ooit gekend heeft, is dood. Het enige wat ik heb, is haar naam in het handschrift van mijn overgrootvader. Hij nam nieuwe inkt om hem te schrijven, en de letters zijn niet helemaal duidelijk. Als ik hem en haar google, vind ik niets.

‘Waarom schrijf je deze keer niet een verhaal dat zich in het heden afspeelt?’ Hij vroeg het vol verwachting, terwijl hij in zijn koffie roerde.

Ik weet niet hoe ze rook, ik weet niet of ze slurpte. Ik weet niet of ze met haar ogen rolde, en ik weet niet hoe dom ze was. Al wat ik weet, is dat haar blik was zoals ik wou dat de mijne is. Vol nonchalance, onbekommerd om de flits van dat ene beeld. Portretten vergaan en inkt vergeelt. Ik neem een foto van haar met mijn Iphone, in een impuls om haar het virtuele geschreeuw in te sturen. Om haar eeuwig te laten circuleren, en haar te redden van de vergetelheid. Maar dan wis ik de foto, en slurp ik van mijn thee. Ze is te mooi voor Facebook. Te mooi voor ogen.